Trauma
en dissociatie Wat is dissociatie eigenlijk?
Wat
is dissociatie? Door Steinberg en Schnall (2000) wordt
dit beschreven als: "an adaptive defence in response
to high stress or trauma characterised by memory loss
and a sense of disconnection from oneself or one's surroundings".
Vrij vertaald is dissociatie een passende verdedigingsreactie
op hoge stress of trauma, gekarakteriseerd door verlies
van geheugen en een gevoel van buiten jezelf en de omgeving
te staan. Gedurende de tijd dat iemand dissocieert, wordt
(trauma) informatie niet meer geassocieerd met de rest
van de informatie in de hersenen, zoals dat gewoonlijk
wel is. Iemand kan de plaats en de gebeurtenissen gedurende
een traumatische ervaring dissociëren, bijvoorbeeld
om tijdelijk te ontsnappen aan emotionele en fysieke pijn.
Deze gedissocieerde informatie hoeft niet "weg"
te zijn, maar is afgesplitst opgeslagen en kan onder sommige
omstandigheden, bijvoorbeeld op latere leeftijd worden
getriggerd. Deze persoon heeft regelmatig met gaten in
het geheugen te maken. Stukken die als het ware overgeslagen
zijn. Kenmerkend van situaties waar iemand mogelijk gaat
dissociëren zijn vaak overweldigende trauma en machteloosheid.
Reeds in 1898 werd door Pierre Janet gewezen op de traumatische
oorsprong van dissociatieve verschijnselen (Hart, Boon
en Op den Velde, 1995).
Niet
aan alle vormen van dissociatie liggen traumatische herinneringen
ten grondslag. Bovendien is het zo dat iedereen wel eens
dissocieert. Denk aan het naar huis rijden op een bekende
weg en bemerken dat een deel van de weg je is ontgaan
en dat je al thuis bent, ook wel highway "hypnosis"
genoemd. Het is mogelijk een schaal te beschrijven van
oplopende vormen van lichte dissociatie tot aan ernstige
vormen van dissociatie namelijk de dissociatieve stoornissen.
Aan de ene kant van dit spectrum bevindt zich dan de "highway
hypnosis", waarbij goed functionerende mensen zonder
traumaverleden zo nu en dan afdrijven in hun gedachten
wereld en daarmee "tijd verliezen". Aan de andere
kant van deze schaal liggen de dissociatieve stoornissen,
vroeger ook wel multiple persoonlijkheden genoemd (MPS).
Bij multiple persoonlijkheden splitst iemand zich, door
extreem heftige trauma's in de kindertijd, af in meerdere
"delen", waarbij een aantal van deze "delen"
de traumatische informatie bij zich dragen. Tussen de
highway hypnosis en de dissociatieve stoornissen in ligt
een scala aan vormen van dissociatie waarbij bijvoorbeeld
één of enkele traumatische herinneringen
zijn afgesplits, en waarbij de cliënt situaties ervaart
waarin hij of zij zichzelf nauwelijks terugherkent gezien
de heftigheid van emotionele en fysieke gewaarwordingen.
Hoe vaak komen deze stoornissen voor? De interpretatie
hiervan varieert nogal. Er zijn psychiaters die zeggen
dat ze het nog nooit hebben meegemaakt in hun praktijk.
Aan de andere kant meldden Steinberg en Schnall (2000)
dat mogelijk zelfs 10!! procent van de bevolking lijdt
aan dissociatieve stoornissen.
Dissociatieve
symptomen
Er bestaan mogelijk twee categorieën dissocatieve symptomen.
Symptomen van psychologische aard (psychologische dissociatie)
en symptomen van lichamelijke aard. De psychologische symptomen
zijn bijvoorbeeld; je niet herinneren wat je op een dag gedaan
hebt; de werkelijkheid of jezelf als onwezenlijk beleven en
jezelf niet als één persoon ervaren, maar als
twee of meer. Symptomen van lichamelijke aard (somatoforme
dissociatie) zijn bijvoorbeeld; ongevoelig zijn voor pijn;
geen contact hebben met het lichaam; en geen of onvoldoende
controle hebben over bewegingen van armen en benen; pijn of
andere lichamelijke gewaarwordingen hebben die horen bij eerdere,
maar nog niet eigen gemaakte ervaringen (Nijenhuis, 1998).
Uit onderzoek (Nijenhuis, 1998) is gebleken dat er sterke
aanwijzingen zijn dat hoe meer psychisch trauma een cliënt
meldt, des te meer dissociatieve symptomen een cliënt
heeft. Bovendien dat somatoforme dissociatie vooral gekoppeld
is aan een rapportage van lichamelijke mishandeling, bedreiging
van het leven en aan gerapporteerde seksuele mishandeling
en dat psychologische dissociatie met name gekoppeld is aan
seksuele mishandeling.
The
body keeps the score, "het lichaam herinnert";
Er zijn aanwijzingen dat onverwerkte trauma informatie zich
vooral fysiek in het lichaam opslaat. Onderzoekers (Nijenhuis
e.a. 1998) vonden, na bestudering van 153 poliklinische psychiatrische
patiënten van verschillende psychiatrische centra in
Nederland, dat de mate waarin patiënten traumatische
ervaringen rapporteerden samenhing met somatoforme dissociatie,
dus symptomen zoals ongevoelig zijn voor pijn; geen contact
hebben met het lichaam; en geen of onvoldoende controle hebben
over bewegingen van armen en benen, pijn of andere lichamelijke
gewaarwordingen. De onderzoekers concludeerden dat een ernstige
bedreiging van lichaam en leven de aanleiding kan zijn tot
chronische activatie van psychobiologische systemen die een
defensieve functie hebben; bovendien dat deze aanleiding er
vooral is als deze bedreiging al op jonge leeftijd wordt ondergaan,
een voortdurend karakter heeft en plaatvindt in een context
van emotionele verwaarlozing; en tenslotte dat activatie van
defensie-systemen tot uitdrukking komt in de vorm van somatoforme
dissociatieve symptomen.
Geheugen en suggestie
Een aantal wetenschappers hebben nogal wat moeite met MPS,
nu Dissociative Identity Disorder (DID) genoemd. Zij erkennen
het mechanisme van "verdringing" niet en zeggen
dat het niet bestaat.
Verdringing wordt door Loftus (1994), een bekende wetenschapper
op het gebied van geheugen en herinneren, beschreven als een
proces van selectief geheugenverlies waarbij bepaalde traumatische
gebeurtenissen "weggeknipt" werden door het slachtoffer
en in een speciale, ontoegankelijke lade van het geheugen
zijn opgeslagen. Slachtoffers die lijden aan verdringing verliezen
niet alleen de herinnering aan het trauma maar ook alle bewustzijn
dat zij het verloren hebben. Loftus erkent het bestaan van
reterograde amnesie waarbij door fysiek trauma een verminderde
capaciteit bestaat om gebeurtenissen en ervaringen te herinneren
die plaatsvonden voordat het letsel plaats had. Ook erkent
zij psychogene of traumatisch geheugen verlies waarbij iemand
even een grote verzameling herinneringen met bijbehorende
affecten kwijt is ten gevolge van een psychisch trauma. Waar
zij moeite mee heeft zijn die herinneringen waar gewoonlijk
naar verwezen wordt als "verdrongen" herinneringen.
Herinneringen die niet bestonden tot iemand (bijvoorbeeld
de hulpverlener) ernaar op zoek ging. Loftus luidde de bel
om te wijzen op de mogelijkheid dat mensen via suggestie de
indruk kunnen krijgen dat ze misbruikt zijn, terwijl ze dat
in werkelijkheid niet zijn. Het gevaar ligt er volgens Loftus
in dat het heel goed mogelijk is iemand "iets aan te
praten". Suggestie is een zeer krachtig sturingselement
zeker in handen van een behandelaar. Het is mogelijk iemand
incest aan te praten terwijl dit niet is gebeurd. Door suggestie
en/of geleide meditatie bij individuen kunnen niet-bestaande-gebeurtenissen
worden "ingepland". Dit moge blijken uit het onderzoek
dat Loftus deed bij een niet klinische populatie. Ze liet
respondenten een gefalsificeerde foto zien met daarop een
respondent in een luchtballon. Deze trip was nooit gebeurd,
de foto was nep. De respondenten werden gevraagd om "alles
wat ze konden herinneren te vertellen over deze luchtballon
reis". Na in totaal drie bijeenkomsten waarin dezelfde
foto en daarmee dezelfde suggestie werd geopperd, herinnerde
50% van de respondenten dat zij deze ballontocht hadden ondernomen
(Loftus, 2003). De gevolgen van deze suggestie zijn waarschijnlijk
te verwaarlozen. Dit is anders bij het (onbewust) implementeren
van misbruik. Een hulpverlener kan vanuit haar/zijn goede
bedoelingen de schadelijke suggestieve opmerkingen maken in
de trant van; "je herinnert je het misbruik niet maar
je hebt alle symptomen", en "het is gebruikelijk
dat mensen na misbruik zich het misbruik niet meer kunnen
herinneren. Het zou me niets verbazen als bij jou ook blijkt
dat je misbruikt bent. Laten we eens kijken wie de mogelijke
dader is". Met het gevolg dat beiden het misbruik gaan
geloven en tragische ontwikkelingen ontstaan bijvoorbeeld
naar de vermeende dader, maar zeker ook naar het slachtoffer.
Hulpverleners moeten daarom oppassen met suggesties doen en
diagnoses stellen. Het geheugen is uitermate slecht en mensen,
en zeker DID mensen zijn gevoelig voor suggestieve opmerkingen.
De realiteit is zo beïnvloed en vervormd. Het is op dit
moment nog onmogelijk om werkelijke van valse herinneringen
te onderscheiden (Loftus, 2003).
Aan de andere kant zijn dit soort onderzoeken geen bewijs
dat "verdringing" niet zou bestaan en daarmee dissociatieve
stoornissen wel degelijk kunnen voorkomen. De experimenten
zijn niet bij DID slachtoffers uitgevoerd maar veeleer bij
"gezonde" respondenten. Dissociatie is een extreme
reactie op extreme (onveilige) toestanden waarbij veel machteloosheid
speelde. Extreme dissociatie (Dissociative Identity Disorder)
is mogelijk een normale noodzakelijke overlevingsstrategie
op uitermate extreme en gruwelijke gezinssituaties.
Bovendien is het belangrijk de geschiedenis van het "niet
erkennen van slachtoffer" te benoemen en het lijden wat
hiermee gepaard is gegaan te erkennen. Daar vanuit kunnen
slachtoffers die melden misbruikt te zijn bloedserieus genomen
worden. Het is niet de eerste keer dat overlevenden van misbruik
beschuldigd worden leugens te vertellen, fantasieën te
hebben over misbruik of gewoon voor gek worden verklaard.
Denk aan Sigmund Freud.Veel van zijn cliënten waren misbruikt
en na bij hem over hun trauma's te hebben mogen praten namen
hun hysterische klachten af. Toen Freud deze ontdekking bekend
maakte werd hij geridiculiseerd door collega's. Bovendien
vond hij het nauwelijks te geloven dat misbruik zo veelvuldig
voorkwam en hij concludeerde dat het niet waar kon zijn en
dat deze volwassenen waarschijnlijk fantasieën vertelden.
Tot aan de jaren 80 van de vorige eeuw werden meldingen van
seksueel misbruik gemarginaliseerd, ontkend of werd de schuld
bij het slachtoffer gelegd. Judith Hermann, auteur van meerdere
baanbrekende wetenschappelijke boeken over incest en trauma
schrijft; "women have been speaking out about sexual
violence, and men have been coming up with denials, evasions,
and excuse. We have been told that women lie, exaggerate,
and fantasize."
Hart O. van het, Boon S. & Op de Velde W. op den (1991).
Trauma en dissociatie. In: Trauma, dissociatie en hypnose.
Amsterdam Swets en Zeitlinger
Hermann, J. 1992. Trauma and recovery. New York, Harper Collins.
Levine, P. Waking the Tiger, Healing trauma. Berkely: North
Atlantic Books.
Loftus, E. Our Changable memories: Legal and practical implications.
In Science and Society, vol. 4, 231 - 234.
Nijenhuis, E.R.S., Spinhoven, P., Vanderlinden, J., Van Dyck,
R., & Van der Hart, O. (1998). Somatoform dissociative
symptoms as related to animal defensive reactions to predatory
threat and injury. Journal of Abnormal Psychology, 107, 63-73.
Nijenhuis, E.R.S., Vanderlinden, J., & Spinhoven, P. (1998).
Animal defensive reactions as a model for trauma-induced dissociative
reactions. Journal of Traumatic Stress, 11, 243-260.
Nijenhuis, E.R.S. (1999). Somatoform dissociation: phenomena,
measurement and theoretical issues. Assen: Van Gorcum.
Steinberg M. en Schnall M (2000). The stranger in the mirror.
Dissociation the hidden epidemic. New York, Harper Collins
DSM IV
Het diagnostiekhandboek voor behandelaars Dissociative Disorders from DSM IV
300.12
Dissociative Amnesia (formerly Psychogenic Amnesia)
A. The predominant disturbance is one or more episodes of
inability to recall important personal information, usually
of a traumatic or stressful nature, that is too extensive
to be explained by ordinary forgetfulness.
B. The disturbance does not occur exclusively during the course
of Dissociative Identity Disorder, Dissociative Fugue, Post
traumatic Stress Disorder, Acute Stress Disorder, or Somatization
Disorder and is not due to the direct physiological effects
of a substance (e.g., a drug of abuse, a medication) or a
neurological or other general medical condition (e.g., Amnestic
Disorder Due to Head Trauma).
C. The symptoms cause clinically significant distress or impairment
in social, occupational, or other important areas of functioning.
300.13 Dissociative Fugue (formerly Psychogenic Fugue)
A. The predominant disturbance is sudden, unexpected travel
away from home or one's customary place of work, with inability
to recall one's past.
B. Confusion about personal identity or assumption of a new
identity (partial or complete).
C. The disturbance does not occur exclusively during the course
of Dissociative Identity Disorder and is not due to the direct
physiological effects of a substance (e.g., a drug of abuse,
a medication) or a general medical condition (e.g., temporal
lobe epilepsy).
D. The symptoms cause clinically significant distress or impairment
in social, occupational, or other important areas of functioning
300.14 Dissociative Identity Disorder (formerly Multiple Personality
Disorder)
A. The presence of two or more distinct identities or personality
states (each with its own relatively enduring pattern of perceiving,
relating to, and thinking about the environment and self).
B. At least two of these identities or personality states
recurrently take control of the person's behavior.
C. Inability to recall important personal information that
is too extensive to be explained by ordinary forgetfulness.
D. The disturbance is not due to the direct physiological
effects of a substance (e.g., blackouts or chaotic behavior
during Alcohol Intoxication) or a general medical condition
(e.g., complex partial seizures). In children, the symptoms
are not attributable to imaginary playmates or other fantasy
play.
300.6 Depersonalization Disorder
A. Persistent or recurrent experiences of feeling detached
from, and as if one is an outside observer of, one's mental
processes or body (e.g., feeling like one is in a dream).
B. During the depersonalization experience, reality testing
remains intact.
C. The depersonalization causes clinically significant distress
or impatient in social, occupational, or other important areas
of functioning.
D. The depersonalization experience does not occur exclusively
during the course of another mental disorder, such as Schizophrenia,
Panic Disorder, Acute Stress Disorder, or another Dissociative
Disorder, and is not due to the direct physiological effects
of a substance(e.g., a drug of abuse, a medication) or a general
medical condition (e.g., temporal lobe epilepsy).
300.15 Dissociative Disorder Not Otherwise Specified
This category is included for disorders in which the predominant
feature is a Dissociative symptom (i.e., a disruption in the
usually integrated functions of consciousness, memory, identity,
or perception of the environment) that does not meet the criteria
for any specific Dissociative Disorder. Examples include
1. Clinical presentations similar to Dissociative Identity
Disorder that fail to meet full criteria for this disorder.Examples
include presentations in which a) there are not two or more
distinct personality states, or b) amnesia for important personal
information does not occur.
2. Derealization unaccompanied by depersonalization in adults.
3. States of dissociation that occur in individuals who have
been subjected to periods of prolonged and intense coercive
persuasion (e.g., brainwashing, thought re- form, or indoctrination
while captive).
4. Dissociative trance disorder: single or episodic disturbances
in the state of consciousness, identity, or memory that are
indigenous to particular locations and cultures. Dissociative
trance involves narrowing of awareness of immediate surroundings
or stereotyped behaviors or movements that are experienced
as being beyond one's control. Possession trance involves
re placement of the customary sense of personal identity by
a new identity, attributed to the influence of a spirit, power,
deity, or other person, and associated with stereotyped "involuntary"
movements or amnesia. Examples include amok (Indonesia), bebainan
(Indonesia), latab (Malaysia), pibloktoq (Arctic), ataque
de nervios (Latin America), and possession (India). The Dissociative
or trance disorder is not a normal part of a broadly accepted
collective cultural or religious practice.
5. Loss of consciousness, stupor, or coma not attributable
to a general medical condition.
6. Ganser syndrome: the giving of approximate answers to questions
(e.g., "2 plus 2 equals 5") when not associated
with Dissociative Amnesia or Dissociative Fugue