| |
Rouw
"Ik weet slechts van één psychiatrische
klacht waarvan de oorzaak duidelijk is, waarvan de kenmerken
duidelijk zijn en waarvan het beloop gewoonlijk voorspelbaar
is, en dat is rouw" (Parkes, 1986, p. 26)
Rouw
wordt ervaren als een zich herhalende cyclus die, als
het goed gaat, uit drie fasen bestaat; schok en ongeloof,
volledig besef van het verlies, en herstel of een gevonden
evenwicht. Christine Longaker beschrijft deze fasen in
haar boek Het licht van afscheid: "Twee weken nadat
mijn man was gestorven voelde ik mij springlevend, helder,
afgestemd op de natuur en ingesteld op mensen. Af en toe
sijpelde er een gewaarwording tot mij door: mijn man is
gestorven. Deze gedachte wekte geen intens verdriet bij
me op maar meer een soort melancholie, alsof ik meeleefde
met het verhaal van een ander. Vier maanden later barste
deze pijnloze staat uiteen. De pijn ging plots door merg
en been, een week lang voelde ik alleen maar hels verdriet
en huilde ik aan een stuk door, vol met wanhoop en eenzaamheid.
Uiteindelijk kwamen pijn en wanhoop van mijn verdriet
tot bedaren. Ik kon weer ademen. Ik had het gevoel alsof
ik een ramp had overleefd.
Na
een tijdje ging dit gevoel van herstel over in schok en
ongeloof, alsof zijn dood verbeelding was geweest. Binnen
een paar weken begon de cyclus weer opnieuw en het werd
weer gevolgd door een hartverscheurende pijn. Weer woedde
de ontwrichtende storm van martelend verdriet, verlangen
en eenzaamheid door mijn leven en na enige weken kon ik
me als een schipbreukeling weer bijeenrapen (Longaker,1997,
pag. 194)".
Vroeger dacht men dat er een bepaalde tijd stond voor
het verwerken van een verlies. Tegenwoordig weet men dat
de variëteit aan reacties op een verlies bijzonder
groot is. Sommige nabestaanden zijn slechts gedurende
een korte periode aangedaan en functioneren na enkele
weken als vanouds (Bout, Boelen, & Keijser, 1998).
Uit een onderzoek van Zisook en Shuchter (1986) blijkt
dat de helft van de onderzochte weduwen zich een maand
na het overlijden van hun echtgenoot interesseerde voor
afspraken met iemand van de andere sekse. Aan de andere
kant vonden Glick e.a. (1974) dat 4 jaar na overlijden
40% van de onderzochte weduwen het leven niet meer (alleen)
ziet zitten. Een groot percentage weduwen lijdt chronisch
na het overlijden of verlies van een geliefde en is niet
in staat het leven weer op te pakken. Zij blijven als
het ware steken in het kunnen aanvaarden van het overlijden
of verlies van hun dierbare. Het verlies blijft op de
voorgrond staan in het dagelijkse leven, ook maanden,
jaren na het gebeuren. Iemands functioneren en levensgenot
wordt er negatief door beïnvloed. Behandeling wordt
vaak gericht op het weer op gang brengen van het verwerkingsproces
om levenswaardering weer acceptabel en mogelijk te maken.
Het
is gebleken dat EMDR een waardevol onderdeel van de therapie
kan uitmaken. EMDR is in staat heftige gevoelens van verdriet
en wanhoop te triggeren en het proces van verwerking en
integratie (verder) te stimuleren.
|
|