OVER EMDR VERKLARINGEN EMDR PROEFSCHRIFT EMDR



 

Verklaringen voor de mogelijke werkzaamheid van EMDR
Het Accelerated Information Processing Model
De afgelopen jaren zijn verschillende verklaringen gegeven voor de effectiviteit van EMDR. Shapiro (1995) verklaart de effectiviteit van EMDR met het "Accelerated Information Processing Model" (AIP model). Trauma veroorzaakt, volgens Shapiro, veranderingen in neurotransmitterstoffen en adrenaline, die vervolgens een "onevenwichtigheid in het zenuwstelsel" teweegbrengen. Het verwerken van informatie wordt geblokkeerd. De hersenen en het lichaam raken ontwricht en zijn niet meer in staat goed te functioneren. De pijnlijke herinneringen worden ieder moment getriggerd door een verscheidenheid aan interne of externe stimuli. Dit komt naar voren in vormen van flashbacks, nachtmerries, herbelevingen en arousal. Bij een goed werkend "Information Processing System" bestaat er een neurologische balans in de informatie verwerking.

Deze informatie wordt normaal verwerkt tot een "adaptive resolution" gevonden wordt. Hiermee bedoelt Shapiro dat er binnen dit fysiologische systeem associaties in gedachten, beelden, emoties en sensaties worden gemaakt, net zolang tot het trauma constructief door het slachtoffer kan worden gebruikt en is geïntegreerd in een positief emotioneel en cognitief schema. Oogbewegingen (of alternatieve links- rechts stimuli), zoals die bij EMDR worden gebruikt, stimuleren een fysiologisch mechanisme dat dit "Information Processing System" activeert, en het evenwicht herstelt. Door aan de cliënt te vragen een beeld omhoog te brengen, kan een verbinding tussen het bewustzijn en de plek waar de informatie is opgeslagen, worden bewerkstelligd. Iedere reeks van oogbewegingen stuwt de traumatische informatie op het neurofysiologisch pad omhoog, net zolang tot de informatie voldoende is verwerkt (Shapiro, 1995). Het AIP model wordt niet gestaafd door onderzoek, zoals Shapiro zelf aangeeft. "EMDR is not based on the validity of the physiological model being offered, the model serves as a clinical road map for treating a wide range of pathologies" (Shapiro, 1995, p. 29). Naast het AIP model bestaan er verschillende leertheoretische en neuropsychologische verklaringsmodellen voor EMDR.

De leertheoretische verklaring
Een ander verklaringsmodel is het leertheoretische. Hierbij wordt EMDR als een vorm van exposure gezien, waarbij oogbewegingen volgens sommige leertheoretici een afleidingsfunctie hebben (Dyck, 1993) en volgens anderen niet ter zake doen (Minnen & Arntz, 1997). Het werkzame ingrediënt is hierbij de uitdoving door gewenning aan angstige stimuli. Een conditionerings-model rond PTSS wordt rond drie hypothesen georganiseerd (Dyck, 1993).
1) De indrukken van de traumatische gebeurtenis (US) worden geassocieerd met een uitgelokte angstrespons (UCR);
2) Deze angstrespons is van voldoende intensiteit om toekomstig leren te voorkomen;
3) De angstrespons is een aversieve gebeurtenis, die vermijding bekrachtigt (operant conditioneren) (Dyck, 1993; Mowrer, 1960; Wolpe, 1958).
Normaal verwachten we dat de geconditioneerde stimulus (CS) (bijvoorbeeld autorijden) zonder de US (het auto-ongeval) leidt tot een extinctie van de geconditioneerde response (angst en spanning). Extinctie vindt normaal plaats wanneer de interne representatie van de CS en het uitblijven van de US worden gepaard; een associatie tussen CS-en -geen-US. Dit gebeurt echter niet wanneer er sprake is van PTSS. De ongeconditioneerde stimulus (US, het auto-ongeval) verandert bij PTSS in de interne representatie van de gebeurtenis (beelden van het ongeval). Het is de perceptie van de gebeurtenis die als traumatisch wordt ervaren. De traumatische herinneringen ontlokken niet alleen angst, maar versterken tevens de associatie tussen de traumatische herinnering en de angst (Dyck, 1993). Mensen met PTSS vermijden vooral het terugdenken aan de traumatische gebeurtenis (US). Aangezien eraan denken angst en spanning oplevert, leren zij dat vermijding een spanningsreductie oplevert en kunnen zij niet leren dat de CS (het autorijden) veilig is. Door cliënten juist veel met de CS te confronteren, zouden nieuwe associaties kunnen worden aangeleerd.
Bij EMDR worden taken aangeboden die zorgen dat extinctie van de herinnering kennelijk wel kan plaatsvinden. De persoon wordt, wanneer de taak zwaar genoeg is, tegelijk geëxposeerd en afgeleid van de herinnering aan de gebeurtenis. Voorwaarde is wel dat tegelijkertijd aan de traumatische herinnering dient te worden gedacht en dat de taak moet worden uitgevoerd. Hoe moeilijker de taak, des te sneller zal extinctie optreden (Dyck, 1993). De cliënt moet echter wel in staat blijven tegelijkertijd aan de herinneringen te kunnen denken, net zolang tot de associatie CS-niet-US is ontstaan, dus de afleidende taak moet ook weer niet te groot worden. Er dient een balans gevonden te worden tussen innerlijke blootstelling aan de gebeurtenis en een externe afleiding, zodat de cliënt niet overspoeld wordt door de herinnering en tevens niet te zeer afgeleid wordt door de externe taak.

Neuropsychologische uitleg van de effectiviteit van EMDR
Neuropsychologische uitleg van de effectiviteit van EMDR richt zich enerzijds op het herstel van interhemisferische activiteit door EMDR en anderzijds op het herstel van de REM-slaap, waarbij EMDR als een soort startmotor fungeert. Volgens Bergmann (1998, 2000) zou EMDR werken als een "pacemaker" en zou EMDR de inter-hemispherische activiteit corrigeren; een herstel van de informatiestroom tussen de linker- en de rechterhemisfeer. Gedurende een trauma stuurt de amygdala urgente boodschappen naar een aantal belangrijke delen van de hersenen. Op dat moment wordt de secretie van "vecht" en "vlucht" hormonen uitgelokt en de hypothalamus stuurt signalen af naar de hypofyse om corticotropine (CRF) te produceren. Het CRF mobiliseert de kleine hersenen en die activeren op hun beurt het cardiovasculaire systeem, de spieren en ander systemen. Andere circuits waarschuwen de Lucus Coeruleus (LC) dat norepinephrine (NE) uitscheidt en zodoende de reactiviteit van de hersenen verhoogt. De hippocampus wordt gealarmeerd om dopamine los te laten, en daardoor de aandacht te verscherpen (Bergman, 1998, 2000; Van der Kolk, 1994). In de meeste gevallen neemt na verloop van tijd het effect van de traumatische gebeurtenis af en keert het systeem terug naar de oude balans. Wanneer dit echter niet het geval is, zoals bij PTSS, is de Lucus Coeruleus hyperactief geworden, en scheidt zij extra grote doses norepinephrine af, ook in situaties die geen gevaar inhouden maar die de persoon aan het trauma doen denken. De hypothalamus stuurt eveneens te veel signalen uit naar de hypofyse om corticotropine uit te scheiden, hetgeen het lichaam in een alarmfase brengt terwijl er geen gevaar is. De gealarmeerde amygdala signaleert opioide centra in de cortex om endomorfine los laten. Dit resulteert in gevoelloosheid en anhedonie (Van der Kolk, 1994). In feite is de neocortex uit de roulatie gehaald. De linker prefrontale cortex is niet in staat om de gealarmeerde systemen af te sluiten. De afwisselende bilaterale stimulatie van EMDR zou fungeren als een "pacemaker" en zou de inter-hemispherische activiteit herstellen door invloed uit te oefenen op de neuronale netweken van de hersenen (Bergman, 1998, 2000). Uit een studie van Van der Kolk (1997) waarbij zes PTSS deelnemers met EMDR werden behandeld en waarbij tevens Single Photon Emission Computerized Tomographies (SPECT) scans werden gemaakt, concludeerden de onderzoekers dat "EMDR de asymmetrie in de lateralisatie corrigeert". Na drie sessies bleek dat de "anterior cortex" van de "cingulate gyrus" duidelijk in activiteit toenam, bilateraal, en dat Broca's gebied in de linker frontale lob eveneens meer activiteit vertoonde. De conclusie die Bergman (1998, 2000) hieruit trok was dat EMDR de capaciteit van "hogere hersenen" kan herstellen, zodat dit deel van de hersenen de input van de limbische structuren kan corrigeren. Dit houdt in dat een persoon na EMDR weer in staat is om een realistische inschatting te maken tussen wat echt bedreigend is en wat niet (Bergman, 1998, 2000).
Een andere neurolopsychologische invalshoek komt van Stickgold (1998). EMDR zou volgens hem kunnen helpen bij de behandeling van PTSS. Het systeem waarbij herinneringen worden verwerkt is (normaal) geactiveerd gedurende de REM-slaap, maar is disfunctioneel bij de PTSS cliënt. EMDR is, volgens Stickgold, in staat dit systeem te activeren. REM-slaap zou nodig kunnen zijn om informatie van de frontale cortex naar de hippocampus over te dragen. Niet-REM-slaap vergemakkelijkt overdracht in de tegenovergestelde richting, van de hippocampus naar de frontale cortex. Deze heen en weer gaande communicatie veroorzaakt de integratie van specifiek, episodische herinneringen naar onze meer algemene semantische opslag van informatie. Door dit proces "zien" we hoe gebeurtenissen in de "rest van ons leven" passen. Waarschijnlijk kan, wanneer deze integratie gelukt is, de frontale cortex aan de hippocampus "vertellen" dat er niet langer gedetailleerde informatie met het daarbijbehorende affect van het trauma nodig is (Siegel, 1999, p. 332). Twee elementen van de REM-slaap lijken gerelateerd aan dit mechanisme om herinneringen te verwerken. Het eerste is de massieve activatie van acetylcholine (ACh) gedurende de REM-slaap. De neuronen die reageren op acetylcholine, controleren de snelle oogbewegingen van de REM-slaap, en mogelijk beheersen zij de richting waarin de stroom van informatie gaat tussen cortex en hippocampus. Het tweede element van REM-slaap is dat de hersenen een voorkeur geven aan "licht gerelateerde associaties" gedurende het stadium van slaap, in tegenstelling tot de normale voorkeur voor "sterk gerelateerde associaties" gedurende waaktoestand. Zo'n voorkeur voor zwakke associaties zou kunnen helpen de nieuwe episode te integreren in een breder netwerk van informatie, reeds aanwezig in de frontale cortex. Als deze heen en weer gaande communicatie tussen hippocampus en frontale cortex nodig is om de kracht van een specifiek trauma te reduceren met het daarbijbehorende affect, dan is het uitvallen van het normale REM-slaap mechanisme bij PTSS de oorzaak van het falen van de cliënt om effectief traumatische herinneringen te verwerken. Zonder de toename van acetylcholine, de activatie van de zwak geassocieerde herinneringen en zodoende de stroom van informatie van frontale cortex naar hippocampus, is de cliënt niet in staat om een traumatische gebeurtenis te verwerken. Als deze drie systemen nu geactiveerd worden buiten de REM-slaap, zou mogelijk de gebeurtenis wel kunnen worden verwerkt. Afwisselende stimulatie zoals oogbewegingen en handtikken, zou de activatie van deze systemen kunnen starten, bijvoorbeeld door de hersenen te dwingen zich constant te oriënteren op nieuwe locaties. Dit heroriëntatie proces vergemakkelijkt de verschuiving van aandacht, versterkt de zwakke associatie en veroorzaakt acetylcholine ontlading bij stimuli. EMDR fungeert zodoende als een soort "startmotor" van de defecte REM machinerie, die nodig is om effectief traumatische herinneringen te verwerken. Door het opstarten van deze processen, terwijl subjecten zich richten op specifieke trauma gebeurtenissen en de daaraan gerelateerde herinneringen, balanceren de hersenen zich om effectief de traumatische herinneringen te verwerken, zodat uiteindelijk de gebeurtenis geïntegreerd kan worden in de schema's van de cliënt (Stickgold, 1998b). Ook volgens Siegel (1999) kan het blokkeren van droom en REM-slaap te maken hebben met het voortduren van psychotrauma. Hierbij hebben droom en REM-slaap onder andere als taak om interhemisferische integratie te bewerkstelligen. "The consolidation of traumatic memory into permanent storage may require REM sleep and thus depend on the synchronous activation of both hemispheres. Bilateral stimulation of the brain may permit a rhythmic process in which right frontal activation retrieves autobiographical representations from posterior regions of the right brain. The transfer of this information to the left orbito frontal regions may allow encoding to occur. Interhemispheric integration is essential for memory consolidation. Dreaming, REM sleep, and cortical consolidation become the integrating processes that mediate autobiographical narrative. Blockage of these processes may be seen as the core of unresolved trauma" (Siegel, 1999, p. 332).


 
EMDR-Nederland | Almere